Beginselverklaring

Beginselverklaring

Geldschepping in publieke handen

De bron van de actuele banken schuldencrisis zit in het geldsysteem. De financiële
oorzaken van de crisis hebben een gemeenschappelijke monetaire oorzaak: de
‚meervoudige girale geldschepping‘ door de banken. Dit werkt vooral het opwaarderen
van beleggingen in de hand, roept speculatiebubbels en inflatie op en leidt tot
toename van de insolventie van veel betrokkenen, niet in het minst van landen en
banken zelf. Het financiële systeem en de reële economie kunnen alleen functioneren
op basis van een stabiel en rechtvaardig geldsysteem. Daarom zetten wij ons in voor

  1. herstel van het monopolie van staten om geld te scheppen;
  2. beëindiging van alle geldschepping door banken;
  3. het in omloop brengen van nieuw geld alleen door publieke uitgifte.

Geld regeert de wereld. Wie regeert het geld?

Iedereen gebruikt wel geld maar de manier waarop het geldsysteem functioneert is
vaag door begrippen als ‚gefractionaliseerd reservesysteem‘ of ‚meervoudige
geldschepping‘. Dit is in het belang van de banken. Zij hebben het scheppen van geld
van de nationale centrale banken overgenomen. De centrale banken brengen in
principe alleen het contante geld uit dat, afhankelijk van het land, slechts 5 – 20% van
de geldhoeveelheid uitmaakt. Het grootste deel, 80 – 95%, circuleert intussen als giraal
geld en wordt door de banken in omloop gebracht: als tegoed op de bankrekeningen
van klanten.

instellingen, die geen nut meer hebben voor de reële economie maar haar juist schade
berokkenen. Beurzen en conjunctuur worden door de verzelfstandigde geldschepping
onverantwoord tot het uiterste gedreven – compleet doorschietende hoogconjunctuur
en beurskoersen gevolgd door stagnatie, depressie en schuldencrises. Als de banken
daarbij zelf in de problemen komen dan staan de tegoeden van de klanten op het spel.
Als de staat zich garant stelt voor bedreigde tegoeden en banken, dan worden op die
manier de verliezen van de banken op de gemeenschap afgewenteld, terwijl de
winsten privé worden aangewend.

De banken hebben geen macro economische- laat staan maatschappelijke doelen en
taken. Daarom is het aan hen overlaten van geldschepping, waarbij grote gevolgen
kunnen optreden voor de gemeenschap, bestuurlijk ontoelaatbaar. In de moderne
samenleving is de monetaire orde deel van de rechtsorde en dus een zaak van de
staat.

Nationaliseren van geld, niet van banken.

Al het geld moet uitsluitend door een onafhankelijk openbaar orgaan gecreëerd wor-
den. Binnen de Economische en Monetaire Unie (EMU) komt die rol toe aan de
Europese Centrale Bank en de centrale banken van de lidstaten. Zij zouden moeten
worden gezien als de Vierde Macht in de staat: de Monetaire macht, als aanvulling op
de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende. De centrale bank moet, net als de
rechtbanken, een onafhankelijke positie hebben en alleen aan de wet onderworpen
zijn – onafhankelijk tegenover wensen van regering en parlement, maar ook tegenover
eisen van banken en andere bedrijfsbelangen. In zo’n geldsysteem kunnen ook locale
betalingssystemen of coöperatieve verrekensystemen hun plaats hebben.

De beoogde hervorming van de geldschepping is eenvoudig te realiseren. De tegoeden
op bankrekeningen worden tot wettige betaalmiddelen verklaard, net zoals munten en
papiergeld. Alleen de nationale centrale banken – de monetaire macht – zijn nog
bevoegd om deze betaalmiddelen te scheppen. Op die manier gebeurt met het girale
geld hetzelfde als honderd jaar geleden met het papiergeld. Toen werd privaat
uitgegeven papiergeld vervangen door papiergeld van nationale centrale banken. Nu
gaat het erom, het instabiele en onzekere girale geld van de banken om te zetten in
‚volwaardig geld‘. Volwaardig staat voor ‚volwaardig wettig betaalmiddel‘. Naast het
geld dat nu nog maar gedeeltelijk publiek is (5-20% munten en papiergeld) wordt het
geld als geheel weer genationaliseerd, terwijl de banken niet worden genationaliseerd.

Regering en parlement zouden aan de onafhankelijke centrale bank geen eisen mogen
stellen. Maar het discretionair gecreëerde nieuwe geld moet wel renteloos aan de
regering ter beschikking worden gesteld die het door publieke uitgifte in omloop
brengt. Recent ging het in de EMU jaarlijks om 200-400 miljard euro, waarvan 50-100
miljard in Duitsland. Dat was 4-8% van de totale overheidsbegroting. Deze toename
van de hoeveelheid geld was overweldigend, maar ook minder geld is altijd nog erg
veel geld dat de publieke kas misloopt.

De banken kunnen op de financiële markten binnen de wettelijke kaders verder
ongehinderd actief zijn. Ze kunnen geen giraal geld meer scheppen, maar alleen met
geld opereren dat ze zelf verkrijgen, hetzij op de geldmarkt hetzij van klanten, en dat
ze dus contant in kas hebben of op hun rekening bij de centrale bank.

Het beëindigen van geldschepping door banken kan eenvoudig en zonder problemen
gebeuren: de huidige tegoeden van klanten verdwijnen uit de balans van de banken en
zijn alleen nog maar een actief op de balans van klanten zelf.

Een geldsysteem ten dienste van de maatschappij

Een dergelijke hervorming zou vijf belangrijke voordelen hebben.
Ten eerste zou het geld veilig zijn, ook zonder overheidsgarantie, want girale tegoeden
zouden bij insolventie niet meer kunnen verdwijnen. Het algemene betalingsverkeer
zou ook bij een bankencrisis geen gevaar meer lopen. Overheid en samenleving
zouden door bankencrises niet meer te chanteren zijn.

Ten tweede zou het vergroten en verkleinen van het geldaanbod door de banken
begrensd worden. Er zou geen veel te goedkoop geld meer beschikbaar zijn voor de
markten om excessief mee te speculeren. De geldstroom zou zich stabiliseren,
conjunctuur en beurskoersen zouden gematigder verlopen.

Ten derde. In tegenstelling tot de huidige inflatoire geldschepping door de banken, zou
de centrale bank de geldhoeveelheid geheel en al onder controle hebben. Ze kan
speculatiebubbels en prijsinflatie doeltreffend voorkomen, doordat ze de geldhoeveel-
heid in overeenstemming brengt en houdt met de reële economische ontwikkeling.

Ten vierde. De toename van de geldhoeveelheid zou geheel ten goede komen aan de
overheidshuishouding en niet aan de banken. Een inflatieneutrale toename van
de geldhoeveelheid komt overeen met de te verwachten groei van de reële economie.
Zo komt naar de huidige maatstaven 1-3 % economische groei in Duitsland overeen
met een groei van de geldhoeveelheid ter hoogte van 25-75 miljard euro. Daarmee is
2,4 – 7,2 % van de overheidsuitgaven te financieren.

Ten vijfde, en op dit moment van bijzondere betekenis, ontstaat de spreekwoordelijke
eenmalige gelegenheid, de drukkende staatsschuld in enkele jaren aanzienlijk af te
bouwen – geruisloos en zonder pijnlijke ingrepen. Want met de hervorming komt
volwaardig geld, uitgegeven door de nationale centrale bank, in de plaats van het
tegenwoordig door banken geschapen geld. En zou het door banken geschapen geld in
de loop van een paar jaar door volwaardig geld zijn vervangen. Daardoor vloeit
eenmalig een aanzienlijke hoge geldscheppingwinst naar de publieke kas. Zo kan de
staatsschuld aanzienlijk verlaagd worden. Begin 2011 ging het in Duitsland om girale
gelden ter hoogte van 1.109 miljard euro, daar bovenop om 135 miljard euro
interbancair giraal geld en banktegoeden bij de centrale bank ter hoogte van 80
miljard euro, samen 1.324 miljard euro. Dat kwam overeen met krap tweederde van
de totale staatsschuld ter hoogte van 2.080 miljard euro op dat moment.

Maatregelen zoals het weer invoeren van een beursomzetbelasting of van verplichte
hogere eigen kapitaalbuffers van banken zullen weinig effect hebben zolang de
monetaire oorzaken van de financiële- en bankencrisis niet worden weggenomen.
Daarom is nu een structureel antwoord nodig: overgang van giraal geld naar
volwaardig geld en het definitief instellen van de nationale centrale banken als de
onafhankelijke monetaire macht.

Monetative e.V., Merseburger Str. 14, D – 10823 Berlin, https://www.monetative.de